Financiën

6.1 Toelichting College van Bestuur

Inleiding

De jaarrekening van ons ROC maakt als verantwoordingsdocument onderdeel uit van de beleidscyclus. De beleidscyclus begint met het bepalen, voorafgaand aan het boekjaar, van de financiële kaders. Deze kaders zijn in de begroting doorvertaald naar de organisatieonderdelen met als doel sturing van de organisatie.

In deel B van dit geïntegreerd jaardocument is in hoofdstuk 3 de staat van baten en lasten 2017 opgenomen. Voor 2017 was een resultaat begroot van € 1,2 mln. positief. Het uiteindelijke resultaat over 2017 is € 3,6 mln. positief. Dit verbeterde resultaat wordt met name veroorzaakt door diverse financiële significante mee- en tegenvallers ten opzichte van de begroting 2017.

Financiële meevallers waren:

  • de normatieve rijksbijdrage is ten opzichte van de begroting € 2,2 mln. hoger uitgevallen. Deze hogere normatieve rijksbijdrage wordt grotendeels veroorzaakt door een toename van de lumpsum door de compensatie van de toegenomen werkgeverslasten en de compensatie van de eenmalige uitkering van € 500 per medewerker;
  • de overige subsidies OCW zijn ten opzichte van de begroting € 0,9 mln. hoger uitgevallen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door hogere geoormerkte subsidies in verband met de in 2017 toegekende RIF Fieldlab PracTICe subsidie en een correctie van de omzet 2016 in 2017 op de projecten RIF Model Regionaal Co-makership en RIF Regionaal Techniek Centrum 2020;
  • hogere opbrengsten van de overige overheidsbijdragen en subsidies als gevolg van hogere opbrengsten van met name Educatie ad € 0,3 mln.;
  • hogere opbrengsten werk in opdracht van derden ad € 1,6 mln. als gevolg van de extra verrichte inburgeringstrajecten door de toestroom van vluchtelingen, toename van de opbrengsten contractonderwijs en een toename van de overige baten in opdracht van derden;
  • hogere overige baten ad € 1,0 mln. voornamelijk veroorzaakt door meer omzet behaald vanuit detacheringen en een toename van de omzet catering;
  • lagere huisvestingslasten ad € 0,4 mln. voornamelijk veroorzaakt door lagere energielasten en het succesvol bezwaar maken tegen WOZ-beschikkingen.

Financiële tegenvallers waren:

  • hogere mutatie van de personele voorziening ad € 1,7 mln. mede veroorzaakt door het doteren aan de voorziening wachtgeld na het uitvoeren van een nulmeting door USG Restart;
  • meer inzet van personeel niet in loondienst door extra inzet van personeel naar aanleiding van meer educatieve trajecten, groei van het aantal deelnemers alsmede door het inzetten van externe expertise ten aanzien van het in beeld brengen en beheersen van de wachtgeldpopulatie.  (€ 1,6 mln.);
  • hogere afschrijvingslasten ad € 0,3 mln. vanwege een inhaalafschrijving op de gebouwdelen B + C van het pand aan de Voltastraat te Hoogeveen;
  • hogere cateringkosten ad € 0.3 mln.;
  • hogere overige lasten ad € 0,1 mln.

De bovenstaande opsomming van mee- en tegenvallers laat zien dat er niet-beïnvloedbare factoren zijn die eraan bijdragen dat er een aanzienlijk verschil is tussen het begrote en het gerealiseerde resultaat 2017. Bij het analyseren van de oorzaken van dit verschil constateerden we echter ook dat er intern verbeterslagen mogelijk zijn in het prognosticeren van financiële resultaten.

Het gemiddelde aantal fte’s is ten opzichte van de begroting gestegen met 18 fte’s. Het p-aandeel is ultimo 2017 uitgekomen op 72,0%; dat is 0,9% lager dan het begrote percentage van 72,9%. De verklaring voor deze verlaging, ondanks een stijgend aantal fte’s, komt doordat de totale omzet procentueel meer is gestegen ten opzichte van de begroting dan de personele lasten.

Aantal fte's ultimo (excl. mobiliteit)

P-aandeel ultimo

Balans ultimo 2017

In de balans 2017 (zie hoofdstuk 2 in deel B van dit geïntegreerd jaardocument) is zichtbaar dat het balanstotaal is toegenomen van € 105,5 mln. naar € 110,3 mln. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de toename van de liquide middelen met € 7,4 mln. alsmede de afname van de vaste activa van € 85,9 mln. in 2016 naar € 82,3 mln. in 2017. Deze afname heeft te maken met een afschrijvingslast die € 3,0 mln. hoger is dan in 2017 is geïnvesteerd en door een inhaalafschrijving van € 0,3 mln. van de gebouwdelen B + C van het gebouw aan de Voltastraat in Hoogeveen.
Daarnaast zijn de kortlopende vorderingen gestegen t.o.v. 2016 met € 1,0 mln. Dit betreft een stijging als gevolg van vooruitgefactureerde termijnen ten behoeve van de inburgeringstrajecten.
Door het positieve resultaat neemt het eigen vermogen met € 3,6 mln. toe. De in 2014 in gang gezette acties om de verlieslatende exploitatie van contractactiviteiten om te buigen naar minimaal neutrale resultaten hebben in 2017 een winst opgeleverd van € 0,2 mln. Hierdoor wordt de negatieve reserve van contractactiviteiten wederom verder teruggedrongen.
De personeelsvoorzieningen zijn toegenomen met € 1,9 mln. Dit heeft voornamelijk te maken met een herbeoordeling van de wachtgeldvoorziening waardoor er een dotatie aan deze voorziening heeft plaatsgevonden.
Hieronder volgt een grafische weergave van de ontwikkeling van de belangrijkste kengetallen in de afgelopen drie jaar:
 

Rentabiliteit ultimo

Ontwikkelingen 2018

Onze begrote omzet in 2018 bedraagt € 110,5 mln.; dat is € 2,3 mln. hoger dan de omzet in 2017. T.o.v. 2017 stijgt de lumpsum (inclusief Prestatiebox) met € 3,1 mln. Deze stijging is voor een belangrijk deel te danken aan de sterke toename van het aantal deelnemers per 1 oktober 2016,  de toename van het macrobudget t.b.v. de Prestatiebox en het uitstellen van de invoering van de doelmatigheidskorting in het macrobudget.

De Rijksbekostiging kent een t-2 financieringssystematiek, waardoor wij de gerealiseerde groei van het aantal studenten van de afgelopen jaren reeds hebben voorgefinancierd, terwijl wij daar nu Rijksbekostiging voor krijgen. Hierdoor ontstaat, mede gezien onze geprognosticeerde positieve resultaten vanuit het Meerjarenmodel, financiële ruimte voor extra uitgaven. Mede op grond hiervan is besloten om, na inventariserende gesprekken met de budgethouders, tijdelijk extra formatie toe te kennen aan de regio’s (8 fte) en de service-unit Bedrijfsvoering (3 fte) ten bedrage van € 0,7 mln. Ook heeft dat geleid tot ons besluit – aansluitend bij onze strategische doelen – om € 0,4 mln. extra beschikbaar te stellen voor scholing van onze medewerkers en € 0,2 mln. voor internationalisering. Daarnaast biedt ons dit de mogelijkheid om de boeterente van € 1,1 mln. te betalen aan de ING i.v.m. de voorgenomen herfinanciering van de leningen voor de Boumaboulevard door middel van schatkistbankieren. Door deze boete te betalen kan onze rentelast in de komende jaren aanzienlijk lager worden.

Al met al is een resultaat van € 3,2 mln. – afgezet tegen onze financiële meerjarenpositie en onze insteek onze middelen zoveel mogelijk in te zetten voor het onderwijs – te hoog. In dit verband hebben we overwogen om de ratio’s in onze allocatiesystematiek te verlagen. Daartoe hebben we niet besloten, omdat een dergelijke verlaging niet een direct effect heeft op de verlaging van de beleefde werkdruk en omdat die ratio-verlaging mogelijk al in 2019 weer moet worden terug-gedraaid. De omvang van het begrote resultaat biedt ons wel de mogelijkheid om in gesprek te gaan met de organisatie over eventuele knelpunten en hoe die op te lossen. Het kan dus zijn dat het gerealiseerde resultaat 2018 lager wordt dan het begrote resultaat.

Het begrote resultaat van 2018 kan ook nog negatief beïnvloed worden door de volgende omstandigheden:

  • in het bekostigingsoverleg van de MBO Raad is gemeld dat op sectorniveau voor 2018 mogelijk nog twee taakstellingen worden opgelegd: een zo goed als zekere taakstelling van € 33 mln. ten gevolge van de overgang van het ‘groene’ mbo van het Ministerie van Economische Zaken naar het Ministerie van OCW en een nog onzekere taakstelling van in totaal € 25 mln. als efficiencykorting. Voor het Alfa-college zou dat voor 2018 nog in een taakstelling van maximaal € 1,2 mln. kunnen resulteren.
  • de bonden hebben de MBO Raad laten weten dat ze voor 2018 een loonsverhoging vragen voor alle medewerkers in de sector van 3,5%. Indien die looneis wordt gehonoreerd, betekent dat voor het Alfa-college een stijging van het totaal van de salariskosten met plm. € 2,0 mln. Wat het effect daarvan is op het resultaat van het Alfa-college, hangt af van de eventuele (gedeeltelijke) compensatie door de overheid van deze loonstijging.
  • voor de ver-/nieuwbouw van het gebouw aan de Voltastraat in Hoogeveen is aanvankelijk uitgegaan van een budget van € 6,4 mln. De markt voor ver- en nieuwbouw is het laatste jaar door de aantrekkende economie sterk veranderd. Het is mogelijk dat de wensen m.b.t. de revitalisatie van dit gebouw – op basis van een best value procurement-aanbesteding waarbinnen we met regionale partners ook zoveel mogelijk willen realiseren door circulair te bouwen – niet binnen dit budget kunnen realiseren. Daarom is een kansendossier ter waarde van maximaal € 4 mln. in de aanbestedingsprocedure meegenomen. Gelet op het meerjarenperspectief is deze investering een verantwoorde keuze.

6.2 Treasuryverslag, vermogenspositie en kengetallen

Treasuryverslag

Het in 2016 vastgestelde treasurystatuut is in overeenstemming gebracht met de Regeling beleggen, lenen en derivaten OCW 2016.

Uitgangspunt van ons treasurybeleid is het waarborgen van de continuïteit van de onderwijskundige kerntaken van het Alfa-college door het beschermen van vermogens- en renteresultaten tegen ongewenste financiële risico’s en het optimaliseren van de renteresultaten binnen de limieten en richtlijnen van het treasurystatuut.

In dit beleid zijn onder andere de boven- en ondergrens en streefwaarde voor de solvabiliteit en de norm en signaleringswaarde voor de liquiditeit vastgelegd. Tevens is het financieringsbeleid vastgelegd, waarbij het Alfa-college niet belegt in derivaten en alleen gebruik maakt van conventionele instrumenten en methodieken. Daarnaast is de administratieve organisatie beschreven en zijn de taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot de treasuryfunctie binnen het Alfa-college met de daarbij behorende bevoegdheden vastgelegd.
Het Alfa-college voert een dusdanig financieel beleid en beheer dat zijn voortbestaan in financieel opzicht is gewaarborgd. De balansstructuur (solvabiliteit) vormt hiervoor o.a. een belangrijke ijkwaarde. In het treasurystatuut is hiervoor een ondergrens bepaald van 32% en een bovengrens van 50% (exclusief voorzieningen). Het gerealiseerde percentage bedroeg ultimo 2017 40%.
Wij hebben onze middelen op direct opneembare betaalrekeningen staan bij Nederlandse banken met een kredietwaardigheid > A, alsmede bij het Ministerie van Financiën (AAA). In de jaarrekening is in de toelichting op langlopende schulden een overzicht opgenomen van de lopende financieringen. De looptijd, rentevast periode alsmede het rentepercentage van de leningen is opgenomen in onderstaand overzicht.

Uitstaand vreemd vermogen

Uitstaand vreemd vermogen
  rente % Looptijd lening Rentevast periode stand per 1-1-2017 aangegane leningen aflossing stand per 31-12-2017 looptijd >1jaar looptijd >5 jaar
Overige langlopende schulden                  
Ministerie van Financiën 3,39% 09/24/2035 09/24/2035  7.740.000  0  430.000   7.310.000   7.310.000   5.590.000 
Ministerie van Financiën 3,78% 09/ 3/2035 09/ 3/2035  5.700.000  0  316.667   5.383.333   5.383.333   4.116.668 
Ministerie van Financiën 0,10% 08/31/2021 08/31/2021  9.600.000  0 0  9.600.000   9.600.000  0
ING 650118294 4,50% 03/ 1/2038 03/ 1/2018  12.750.000  0  600.000   12.150.000   12.150.000   9.750.000 
ING 650142330 4,95% 03/ 1/2038 03/ 1/2021  8.500.000  0  400.000   8.100.000   8.100.000   6.500.000 
Uitstaand vreemd vermogen        44.290.000  0  1.746.667   42.543.333   42.543.333   25.956.668 

Medio maart 2018 hebben wij een financiersaanvraag bij het Ministerie van Financiën ingediend voor het herfinancieren van onze ING-leningen naar schatkistbankieren. De verwachting is dat wij eind juni een beslissing van het Ministerie van Financiën hebben ontvangen.

Door het positieve exploitatiesaldo 2017 is het eigen vermogen toegenomen met € 3,6 mln. Van dit bedrag is € 3,9 mln. toegevoegd aan de algemene reserve, is het positieve resultaat op contractactiviteiten ad € 0,2 mln. gebruikt om de (negatieve) reserve contractactiviteiten aan te vullen; is € 0,1 mln. gebruikt om toe te voegen aan de reserve cursusgeld. Daarnaast is per saldo € 0,3 uit de bestemmingsreserve VAVO en € 0,2 uit de Boekenreserve vrijgevallen ten gunste van de algemene reserve. Tevens is er een nieuwe private bestemmingsreserve gevormd met een negatief saldo ad € 0,1 mln.

Het saldo van de voorzieningen ultimo 2017 is met een bedrag van € 2,0 mln. gestegen ten opzichte van ultimo 2016. De wachtgeldvoorziening is toegenomen met € 1,2 mln., de ambtsjubileumvoorziening is gestegen met € 0,3 mln., de voorziening voor duurzame inzetbaarheid (seniorenverlof) is gestegen met € 0,3 mln. De voorzieningen langdurig ziekteverzuim en transitievergoedingen zijn gezamenlijk toegenomen met € 0,2 mln.

De langlopende schulden zijn per saldo afgenomen met € 2,0 mln. Totaal is er voor € 0,4 mln. aan nieuwe verplichtingen aangegaan. Tegenover de nieuw aangegane verplichtingen staat een aflossing van in totaal € 2,4 mln.

Ontwikkeling eigen vermogen

Ontwikkeling eigen vermogen
Categorieën 2017 2016 2015
Algemene reserve 43.402,0 39.537,5 38.394,9
Bestemmingsreserve 1.401,9 1.619,4 1.163,5
Herwaarderingsreserve      
Statutaire reserve 1,1 1,1 1,1
Totaal eigen vermogen 44.805,0 41.158,0 39.559,5

Kengetallen

Kengetallen
Categorieën 2017 2016 2015
Ongewogen bekostigd[2]      
Aantal deelnemers BOL 9.734 9.834 9.457
Aantal deelnemers BBL 2.176 2.042 1.892
Aantal deelnemers totaal 11.910 11.876 11.349
Aantal diploma's 3.730 3.830 3.552
       
Categorieën 2017 2016 2015
Aantal fte’s ultimo[3] 973,9 945,1 905,5
P-aandeel (pers.kosten/tot.baten in %) 72,00% 72,60% 72,40%
Solvabiliteit (excl. voorz. in %) 40% 39% 38%
Rentabiliteit (resultaat/tot.baten in %) 3,4% 1,6% 0,9%
Liquiditeit (vlottende activa /kortl.schulden) 1,8 1,4 1,1
Huisvestingsratio (huisvestingslasten + afschrijv. gebouwen en terreinen)/tot.lasten) 0,09 0,09 0,09
Weerstandsvermogen (eigen vermogen/totale baten) 0,4 0,4 0,4
Investeringen x € 1 miljoen 2,1 1,9 1,9

[1] De kengetallen solvabiliteit en liquiditeit in de vergelijkende cijfers 2016 zijn aangepast t.o.v. het definitieve geïntegreerd jaardocument 2016 ten gevolge van een presentatiewijziging in de jaarrekening. Een toelichting is opgenomen onder deel B.1 ‘Grondslagen voor de jaarrekening’.
[2] De aantallen ongewogen bekostigde deelnemers 2017 en het aantal diploma’s 2017 zijn gebaseerd op de laatste terugmelding bekostigingsgegevens d.d. 2 maart 2018 en wijken af van de getallen uit de begroting 2018 welke gebaseerd zijn op een oudere rapportage.
[3] Het aantal fte’s ultimo 2017 is exclusief 0,2 fte mobiliteit, ultimo 2016 is exclusief 0,2 fte’s mobiliteit en ultimo 2015 exclusief 1,4 fte’s mobiliteit.
 

Toelichting bij de kengetallen

Het totaal aantal ongewogen bekostigde deelnemers is met 0,29% gestegen ten opzichte van 2016. Onderliggend zijn er lichte verschillen te noteren: zo is het aantal BOL-deelnemers met 1,0% gedaald, terwijl het aantal BBL-deelnemers met 6,7% gestegen is.

Het aantal verstrekte diploma’s 2017 daalt ten opzichte van het voorgaande jaar met 100. De groei van het aantal deelnemers en de daling van het aantal diploma’s leidt naar verwachting, door de t-2 systematiek, tot een gelijkblijvende Rijksbijdrage in 2019.

Ten opzicht van 2016 ligt het aantal fte’s ultimo 2017 ongeveer 29 fte hoger. Een stijgend aantal deelnemers en inburgeringstrajecten, alsmede meer omzet VAVO hebben tot deze stijging geleid. Door hogere Rijksbijdragen in relatie tot de t-2 financieringssystematiek, waarbij wij de grote groei van het aantal deelnemers van de laatste jaren voorgefinancierd hebben, is de financiële ruimte ook aanwezig om een hoger aantal fte’s in te zetten. Een deel van de toename van het aantal fte’s bestaat uit vaste formatie.  Ondanks dat de flexibele schil ultimo 2017 lager ligt dan ultimo 2016, is er nog een afdoende flexibele schil aanwezig (16,7%). De flexibele schil geeft het aandeel van de tijdelijke formatie ten opzichte van de totale formatie van het Alfa-college aan.

Vergelijking realisatie 2017 versus de voor 2017 begrote cijfers
 

Verschillen realisatie 2017 met begroting 2017 en 2018 (x € 1 mln.)

Verschillen realisatie 2017 met begroting 2017 en 2018 (x € 1 mln.)
Categorieën Begroting 2017 Werkelijk 2017 Verschil 2017 Begroting 2018
3.1 Rijksbijdragen 92,8 95,9 3,1 99
3.2 Overige overheidsbijdragen en -subsidies 1,1 1,4 0,3 1,6
3.3 College-, cursus-, les- en examengelden 0,1 0,1 0 0,1
3.4 Baten werk in opdracht van derden 5,2 6,7 1,5 5,7
3.5 Overige baten 3,1 4,1 1 4,1
         
4.1 Personeelslasten 74,6 78 3,4 78,1
4.2 Afschrijvingen 5,3 5,5 0,2 6,4
4.3 Huisvestingslasten 6,5 6,1 ‑0,4 6,7
4.4 Overige lasten 13,5 13,8 0,3 14,2
         
5 Financiële baten en lasten ‑1,6 ‑1,6 0 ‑2,3
         
7 Resultaat deelnemingen 0,4 0,4 0 0,4
         
Resultaat (incl. afrondingsverschil) 1,2 3,6 2,4 3,2

6.3 Analyse van de verschillen tussen de realisatie en de begroting

Bij de specificatie per onderwerp wordt een verklaring gegeven van de verschillen tussen de begroting 2017 en de realisatie 2017. Voor een diepere analyse verwijzen wij naar deel B (de jaarrekening) van dit geïntegreerd jaardocument.

Rijksbijdrage

De normatieve rijksbijdrage is ten opzichte van de begroting € 2,2 mln. hoger uitgevallen. Deze hogere normatieve rijksbijdrage wordt grotendeels veroorzaakt door een toename van de lumpsum ten gevolge van de compensatie van de toegenomen werkgeverslasten en de compensatie van de eenmalige uitkering van € 500 per medewerker.

Overige overheidsbijdragen en subsidies

De overige subsidies OCW zijn ten opzichte van de begroting € 0,9 mln. hoger uitgevallen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door hogere geoormerkte subsidies in verband met de in 2017 toegekende RIF Fieldlab PracTICe subsidie en een correctie van de omzet 2016 in 2017 op de projecten RIF Model Regionaal Co-makership en RIF Regionaal Techniek Centrum 2020.

Baten werk in opdrachten van derden

De hogere opbrengsten van werk in opdracht van derden ad € 1,6 mln. is het gevolg van de extra verrichte inburgeringstrajecten door de toestroom van vluchtelingen, toename van de opbrengsten contractonderwijs en een toename van de overige baten in opdracht van derden.

Overige baten

De toename van de overige baten met € 1,0 mln. wordt met name veroorzaakt door een toename van de detacheringsopbrengsten personeel ad € 0,3 mln., een stijgende opbrengst op de verkopen in de kantines ad € 0,3 mln., een toename in de opbrengsten excursies ad € 0,3 mln. en een toename in de overige baten ad € 0,1 mln.

Personeelslasten

De totale personeelslasten nemen ten opzichte van de begroting toe met een bedrag van € 3,4 mln. Deze mutatie wordt met name veroorzaakt door dotaties aan de personele voorzieningen ad € 1,7 mln. mede veroorzaakt door het doteren aan de voorziening wachtgeld na het uitvoeren van een nulmeting door USG Restart. Tevens is er € 1.7 mln. meer inzet van personeel niet in loondienst geweest door extra inzet van personeel naar aanleiding van meer educatieve trajecten, groei van het aantal deelnemers alsmede door het inzetten van externe expertise ten aanzien van het in beeld brengen en beheersen van de wachtgeldpopulatie.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingslasten zijn toegenomen met € 0,2 mln. met name vanwege een inhaalafschrijving op gebouwdelen B + C van het pand aan de Voltastraat te Hoogeveen. Er zal ver-/ nieuwbouw plaatsvinden aan dit pand waardoor de gebouwdelen B + C  uiterlijk 2020 geheel gesloopt zullen zijn en gedeeltelijk herbouwd zullen worden.

6.4 Vooruitblik en begroting 2018

Voor 2018 kent de begroting een positief resultaat van € 3,2 mln. Deze doelstelling ligt € 2,7 mln. hoger vergeleken met de doelstelling van het geactualiseerde meerjarenmodel dat, in het kader van het project ten behoeve van de ver-/ en nieuwbouw van de locatie aan de Voltastraat in Hoogeveen, in juni 2017 is vastgesteld. De afwijking heeft voornamelijk te maken met hogere rijksbijdragen als gevolg van de stijging van het macrobudget door de landelijke toename van het aantal mbo-deelnemers, de toename van het macrobudget kwaliteitsafspraken en als gevolg van uitstel van de invoering van de doelmatigheidskorting in het macro-budget.

Categorieën werkelijk begroting verschil
  2017 2018  
       
3.1 Rijksbijdragen OCW 95,9 99 3,1
3.2 Overige overheidsbijdragen en -subsidies 1,4 1,6 0,2
3.3 College-, cursus-, les- en examengelden 0,1 0 ‑0,1
3.4 Baten werk in opdracht van derden 6,7 5,7 ‑1
3.5 Overige baten 4,1 4,1 0
       
4.1 Personeelslasten 78 78,1 ‑0,1
4.2 Afschrijvingen 5,5 6,4 ‑0,9
4.3 Huisvestingslasten 6,1 6,7 ‑0,6
4.4 Overige lasten 13,8 14,1 ‑0,3
       
5 Financiële baten en lasten ‑1,6 ‑2,3 ‑0,7
7 Resultaat deelnemingen 0,4 0,4 0
       
Resultaat 3,6 3,2 ‑0,4

Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op de baten en lasten.

Rijksbijdragen OCW ( + € 3,1 mln.)

De Rijksbijdragen OCW nemen ten opzichte van 2017 toe met € 3,1 mln. Dit komt door een stijging van de lumpsum met € 3,3 mln. en een daling van de overige subsidies OCW met € 0,2 mln.

Rijksbijdrage OCW (+/+ € 3,3 mln.)

De rijksbijdragen betreft de lumpsum die het Alfa-college ontvangt voor de deelnemers en diploma’s op basis van de telling van 1 oktober 2016 (t-2). De voor 2018 begrote lumpsum bedraagt € 85,2 mln.
De lumpsum voor het Alfa-college stijgt met € 3,3 mln. De onderliggende verklaringen hiervoor zijn de stijging in deelnemersaantallen per 1-1-2016 (+ € 1,1 mln.), de stijging in het marktaandeel van het Alfa-college (+ € 1,9 mln.), toename landelijk budget entree (+ € 0,1 mln.) en een toename van de bijdrage VAVO (+ € 0,2 mln.).

Overige subsidies OCW (-/- € 0,2 mln.)

De geoormerkte subsidies dalen met € 0,2 mln. ten opzichte van de realisatie 2017. De geoormerkte bijdrage RIF Fieldlab PracTICe stijgt met € 0,2 mln. Het project is op 1 juni 2017 van start gegaan waardoor er in 2017 voor een half jaar aan baten is toegerekend. In 2018 kennen we de baten voor een volledig jaar toe.
De baten RIF Model Regionaal Co-makership zijn € 0,2 mln. lager als gevolg van een correctie die in 2017 tot een eenmalige, hogere baten leidde. Het begrote bedrag in 2018 is conform de projectbegroting.
Ten slotte wordt het RIF RTC 2020 medio 2018 afgerond waardoor minder baten zijn verantwoord dan in 2017 (-/- € 0,2 mln.).

Baten werk in opdracht van derden (-/- € 1,0 mln.)

Ten opzichte van 2017 dalen de baten in opdracht van derden met € 1,0 mln.
De daling is het gevolg van lagere omzet van € 0,3 mln. bij het contractonderwijs.
De grote groep vluchtelingen die in 2016 met het inburgeringstraject is gestart, stroomt begin 2018 weer uit. De nieuwe instroom is in 2017 lager geweest, waardoor de opbrengst inburgeringscontracten daalt met € 0,4 mln. Tegenover deze afname staat ook een daling van de personele en materiële kosten.
De overige baten werk i.o.v. derden dalen met € 0,3 mln. door lagere projectopbrengsten.

Personeelslasten ( + €  0,1 mln.)

Ten opzichte van 2017 nemen de personele lasten met € 0,1 mln. toe. Tegenover een stijging van de kosten voor bruto lonen en salarissen met € 2,7 mln., staat een daling van de overige personele lasten met € 2,6 mln. Onderliggend worden de significante verschillen toegelicht.

De bruto lonen en salarissen stijgen met € 2,7 mln. ten opzichte van 2017. Dit is een gevolg van:

  • stijging van het aantal fte’s (€ 1,6 mln.);
  • de periodieke salarisverhogingen in augustus (€ 0,4 mln.);
  • doorstroming van docenten in het functiebouwwerk (€ 0,1 mln.);
  • toename van de pensioenpremie wat leidt tot extra kosten (€ 0,6 mln.).

Voor 2018 is gemiddeld 996 fte’s (excl. mobiliteit) begroot. Voor 2017 is gemiddeld 948 fte’s (excl. mobiliteit) begroot, terwijl de gemiddelde bezetting over 2017 965,9 fte’s (excl. mobiliteit) was. Het aantal deelnemers heeft de afgelopen jaren een sterke groei doorgemaakt. Dit heeft vooral geleid tot een groei van het aantal fte’s bij het primaire proces en het direct onderwijsondersteunend personeel, terwijl het aantal fte’s in de service-unit Bedrijfsvoering nagenoeg gelijk bleef. Voor 2018 is een uitbreiding van, vooral tijdelijke fte’s aan de service-unit Bedrijfsvoering toegekend. Doordat de gemiddelde loonkosten van deze fte’s veelal lager liggen dan de gemiddelde loonsom van het primaire proces, is het financiële effect van de toename in fte’s dit jaar iets minder groot.

Ook de toename van het aantal projecten leidt tot de inzet van extra fte’s op deze activiteiten. Bij VAVO stijgt de fte-inzet ten gevolge van de groei van het aantal deelnemers. Tegenover al deze stijgingen van extra fte-inzet daalt de inzet bij Educatie ten gevolge van de terugloop van het aantal inburgeraars.

De overige personele lasten dalen met € 2,6 mln. ten opzichte van 2017. Dit is een gevolg van:

  • lagere dotatie aan de personele voorzieningen ad € 1,8 mln. In 2017 is voor een bedrag van € 2,0 mln. aan dotaties voor personele voorzieningen gedaan, terwijl in de begroting 2018 rekening gehouden is met € 0,2 mln.
  • lagere begrote inzet werk derden ad € 1,8 mln.;
  • hogere begrote scholingskosten ad € 0,7 mln.;
  • lagere begrote uitkering wachtgelduitkering ad € 0,3 mln.

Huisvestingslasten

Verwacht wordt dat de huisvestingslasten in 2018 € 0,6 mln. hoger zullen uitvallen als gevolg van uitgestelde schilderwerkzaamheden vanuit 2016 naar 2017 (€ 0,1 mln.), hogere kosten voor schoonmaak (€ 0,1 mln.), hogere begrote energielasten (€ 0,1 mln.), extra inzet security hosts (€ 0,1 mln.) en diverse hogere bijstellingen in de begroting 2018 ten opzichte van 2017 (€ 0,2 mln.).

Financiële baten en lasten

In 2018 is de verwachting dat de financiële baten en lasten met € 0,7 mln. toenemen. We gaan ervan uit onze ING-leningen over te kunnen sluiten naar schatkistbankieren. Hierbij is rekening gehouden met een te betalen boeterente bij de ING-bank van € 1,1 mln. en een lagere rentelast in 2018 van € 0,4 mln.